• DSCN2731
  • DSCN2732

In het artikel ‘Raadgevingen voor de vogelliefhebber’ sloot ik een afbeelding in met als slogan ‘Hou je kweek in de hand!’. Wat bedoel ik daarmee?

Wel  het volgende: probeer je kweek op alle gebied te beheersen, m.a.w. doe het nodige om het overzicht te bewaren en om de kans op het uit de hand lopen te voorkomen. Wat kun je doen en wat doe ik daarvoor?

  1. Stem het aantal kweekkoppels af op de beschikbare ruimte en de tijd welke je dagelijks aan je vogels kunt besteden.
  2. Bij de aanvang van de kweek hou ik altijd een aantal reservevogels achter de hand. Deze vogels blijven in de vlucht en gaan slechts weg op het ogenblik van het uitpikken van de jongen van de eerste ronde. Dan moeten immers deze vluchten klaar gemaakt worden voor de aankomende jongen.
  3. De eieren worden dagelijks, uiteraard met de grootste zorg en voorzichtigheid, geraapt tot en met het leggen van het vierde ei. Er wordt een kunsteitje in de plaats gelegd. De geraapte eieren worden bewaard in genummerde (per kooi) bakjes met op de bodem zaad. Na het leggen van het vierde ei worden de eieren teruggegeven. Op dit ogenblik wordt het nestje uit de kom gelicht en wordt een luizenpoeder verstoven in de nestkom. Het nestje wordt teruggeplaatst en aangedrukt met een bollamp, waarbij het nestje wordt verstevigd en zo nodig beter vormgegeven. Pas daarna worden de eitjes teruggelegd. Het nestpotje wordt teruggeplaatst  in het nestkastje en rond het nestpotje wordt luizenpoeder (type Home Shield of gelijkaardig) verstoven.
  4. Wanneer de popjes aan het broeden gaan wordt gestopt met het verstrekken van eivoer.
  5. Controleer regelmatig of de eieren ‘los’ liggen. Veel hangt af van de stevigheid (= vormvastheid)  van het nest. Zonodig gebruik een bollamp om het nest steviger te maken. Eieren welke vast liggen in het nest komen niet uit.
  6. De man blijft bij het popje gedurende de volledige duur van de kweek, tenzij hij het popje lastig valt (hetgeen zelden voorkomt) of omgekeerd wanneer het popje, door overmatige broeddrift, het mannetje niet meer kan luchten en hem voortdurend achtervolgt.
  7. Na 7 dagen broeden gebeurt er inspectie of de eitjes bevrucht zijn. Een ervaren liefhebber/kweker kan dit met vrij grote zekerheid reeds op zicht vaststellen. Bij bevruchte eieren is de eischaal donker en glanzend. Onbevruchte eieren zijn licht van kleur en mat. Enkele eitjes worden tegen het licht van een lamp gehouden (donker = bevrucht, doorschijnend = onbevrucht). Doe dit met de grootste voorzichtigheid! Onbevruchte nestjes worden niet onmiddellijk verwijderd. Jonge poppen laat men best de volledige cyclus (13 dagen) broeden. Voor overjaarse poppen ligt dat anders. Daar kan het broeden in geval van een onbevrucht legsel, indien gewenst, afgebroken worden. Evenwel  doe ik dit zelden. Ik bekijk dit in het geheel van de kweeksituatie op het hok. Zo komt het voor dat in een nest met zes eieren deze alle bevrucht zijn. Wetende dat in dergelijke geval toch zelden alle jongen groot komen in hetzelfde nest ga ik soms 2 of 3  eitjes onderleggen bij een pop met onbevruchte eieren. Hierbij maak ik gebruik van mijn ‘uitkomstlijst’ (cfr. Punt 8).
  8. Ik maak een lijst op (van kooinummers), op datum,  van het vermoedelijk uitkomen van de nesten (= uitkomstlijst). Dit geeft me een overzicht o.m. van welke nesten nagenoeg gelijktijdig gaan uitkomen, hetgeen nuttig is bij het eventueel verleggen van eieren en/of jongen.
  9. Na het uitkippen wordt er dagelijks visuele nestcontrole gedaan en ca. om de 3 dagen grondige inspectie van het nest. Daarbij worden de jongen even overgelegd in een potje met nestviltje. Het originele nestje wordt omgekeerd boven wit keukenpapier en uitgeschut (inspectie op luizen). Het resultaat wordt zorgvuldig bekeken (soms gebruik vergrootglas). Achteraf wordt het nestje dan opnieuw bijgewerkt en vormgegeven met de bollamp en de jongen worden teruggeplaatst.

 

Enkele nuttige kweekattributen zie je in de afbeelding hierna (op de foto klikken om te vergroten)

  • DSCN2730
.

 

  1. In nestjes met jongen worden niet alle niet uitgekomen eitjes verwijderd en soms worden 1 of 2 kunsteitjes bijgelegd. Deze dienen als ondersteuning van de jongen en om de druk van de pop op de jongen te verminderen (voorkomen van zwempoten).
  2. De eerste dag na het uitkippen wordt geen eivoer verstrekt. Dit is ook niet nodig omdat de jongen overleven met de restanten aan voedingsstoffen uit het ei. Pas de tweede dag wordt eivoer verstrekt (drie maal per dag). Dit eivoer, dat bestaat uit 50% zelf gemaakt en 50% industrieel eivoer, wordt in de koelkast bewaard en net voor het verstrekken rul gemaakt met hetzij een weinig water, roosvicee, … en (wanneer de jongen wat groter zijn) vers fruit/pulp (appelsien, appel).
  3. Het ringen gebeurt naargelang van het evolueren (groeien) van de jongen op 5 tot 7 dagen. Rond die periode wordt er regelmatig gecontroleerd omdat sommige poppen de neiging hebben om de ring (met jong) uit het nest te gooien (zeker niet te klein ringen!).
  4. Wanneer de jongen reeds goed in de pluimen zitten (net voor het verlaten van het nest) wordt het nestpotje met jongen uit het kastje gelicht en op het bodemrooster geplaatst. Er wordt een nieuw nestkastje in de deuropening van de kooi gehangen en onmiddellijk wordt nestmateriaal verstrekt om plukken van de jongen te voorkomen. Als nestmateriaal geef ik een mengeling van jute, sisal, cocosvezel en katoen.
  5. De jongen blijven bij de oudervogels tot ze ca. 1 maand oud zijn (staartveren quasi volgroeid). Dan verhuizen ze naar een overgangskooi, samen met een overjarige man, voor een tweetal weken. Pas daarna worden ze overgeplaatst naar de vlucht. Hierbij laat ik eveneens een overjarige man in de vlucht, welke de jongen de weg toont naar de zaadbakken en drinkfonteinen.

Tot zover… en hou je kweek in de hand!

Marc Lanckzweirt